verkeersongeluk

Beste allemaal,

8 maanden in Zambia – ons eerste grote verkeersongeval achter de rug.  Laat ik u meteen gerust stellen en erbij melden dat wij er niet in betrokken waren, toch niet in het ongeval zelf.

Blauwe minibussen zijn de enige vorm van openbaar vervoer in Zambia.  Aangezien de meeste Zambianen geen auto hebben maakt bijna iedereen gebruik van deze kleine camionettes, die steeds volgestouwd zijn met mensen en spullen. Beenruimte is onbestaande, in het warme seizoen is het niet uit te houden van de hitte tussen al die lijven.  Elke dag rijden er dus duizenden over de Zambiaanse wegen en bijna altijd gaat dat goed. Maar gisteren ging het verkeerd en de gevolgen waren catastrofaal.

Een minibusje op weg naar Luanshya kreeg een klapband terwijl er zo’n zestien of zeventien mensen opeen gepakt zaten in het voertuig.  De verhalen lopen uit elkaar zoals dat vaker gebeurt bij een ongeval van die omvang maar blijkbaar hebben een aantal mensen in de bus geprobeerd met de handrem de auto tot stilstand te brengen. Daarop is de bus beginnen slingeren, is overkop gegaan en uiteindelijk op de zijkant tot stilstand gekomen.  Wie de beslissing genomen heeft om de gewonden naar ons ziekenhuis te brengen weet ik niet. Luanshya is een grotere stad met 3 ziekenhuizen én dichterbij de plaats van het ongeval gelegen.  Maar gisteren om half twaalf reed er dus een busje op het terrein van het ziekenhuis en werd de ene na de andere zwaar gekwetste patiënt uit de auto geladen. In ons hospitaal, zonder radiologie en met 1 armzalig zakje bloed (was ook nog over datum).  Mensen werden op brancards gelegd en naar de afdeling gereden. Ondertussen kwam het personeel van het ziekenhuis van alle kanten aangelopen om te helpen.  Ondanks het feit dat er hier in Ibenga nog nooit 1 rampenoefening heeft plaats gevonden verliep alles bijzonder gestructureerd en constructief :  de verpleging infusen prikken en pijnmedicatie geven, de clinical officers wonden hechten, de fysio breuken gipsen en de dokters patiënten onderzoeken en opereren.

Natuurlijk waren de middelen beperkt, natuurlijk waren er frustraties.  Ik heb in mijn tijd op de spoed in Sint-Niklaas redelijk wat trauma gezien maar daar had je zoveel hulpmiddelen ter beschikking : een plank om de patiënt op te immobiliseren, een nekkraag, intubatiemateriaal, een monitor, een CT-scan.  Hier liep 1 verpleegkundige met 1 bloeddrukmeter van patiënt naar patiënt en daar stopte de monitoring. 2 mensen overleden kort na aankomst, 2 hebben we nog naar de operatiekamer gereden maar zij zijn daar overleden en 2 anderen zijn gerefereerd naar een groter ziekenhuis, en daar tenslotte ook gestorven. 8 mensen liggen nog op de afdeling, met breuken en wonden maar zijn verder niet in gevaar.

De bevolking van Ibenga en de omliggende dorpen en ook ons personeel is heel erg aangedaan.  Iedereen maakt gebruik van die minibussen en niemand doet de gordel om want die is er gewoon niet.  Er is geen alternatief als je van de ene plaats naar de andere wil geraken : de minibus is de enige optie.  En iedereen kent wel iemand van de slachtoffers dus dit is een ramp die elkeen persoonlijk raakt en waar ook heel veel over gesproken wordt.

Eigenlijk was ik van plan te schrijven over het gigantische alcoholprobleem hier in Zambia, over alle desastreuze gevolgen hiervan op de hele maatschappij. Maar dat is voer voor een volgend opbeurend verslag. Er zijn slechtere plaatsen om te leven dan in België en Nederland.

 

 

 

Advertenties

Beste allen,

Vooreerst een heel gelukkig 2014 gewenst aan jullie allemaal.  Hopelijk wordt het een jaar vol voldoening, vreugde en goede gezondheid waarin jullie kunnen genieten van al het moois dat het leven te bieden heeft.  We hebben net een week vakantie achter de rug in Livingstone bij de Victoria Waterfalls.  Voor eenieder die nog twijfelde of Zambia een geschikte vakantiebestemming zou kunnen zijn, kan ik  volmondig bevestigen : Ja, het is een fantastisch mooi land.

Ergens onderin een lade op de consultatie van het ziekenhuis heb ik onlangs een jaarrapport gevonden, geschreven door één van onze Nederlandse voorgangers in het jaar 1990.  Op dat moment is de HIV-epidemie zich volop aan het ontwikkelen.  De kennis over deze ziekte is nog beperkt, de behandelingsmogelijkheden nog veel beperkter.  In zijn verslag lees ik dat HIV en de daaraan verbonden aandoeningen de belangrijkste doodsoorzaak zijn geworden in het ziekenhuis.  Kinderen sterven massaal aan ondervoeding omdat ze zelf besmet zijn of omdat hun besmette moeders hen niet voldoende kunnen voeden. Ondertussen zijn er ook veel meer patiënten met tuberculose die moeilijker te behandelen zijn omdat ze ook HIV hebben.  Afdelingen liggen vol met ongeneeslijk zieke patiënten.

Pas 14 jaar later, eind 2004, zullen er medicijnen verdeeld worden in het ziekenhuis om HIV te behandelen maar niet te genezen.  14 lange jaren, het is bijna hallucinant als je het je voorstelt. Ik weet nu hoe het voelt om AIDS-patiënten te behandelen aangezien we toch nog regelmatig hele zieke mensen op de afdeling krijgen die hun ART (anti-retrovirale therapie, de HIV-medicatie) niet hebben genomen of zich veel te laat hebben laten testen.  Het zijn medisch gezien hele lastige patiënten. Ze zijn uitermate verzwakt, reageren niet goed op medicatie en sterven meestal een langzame, pijnlijke dood. We staan erbij en kijken ernaar.  We troosten ons met de gedachte dat op datzelfde moment tientallen HIV-patiënten gezien worden op de consultatie en naar huis gaan met ARV’s en de volgende dag hun dagelijkse bezigheden kunnen hervatten en gezond zijn.  Maar dat was er in 1990 dus allemaal niet, enkel de stervende patiënten, die waren er te veel.

Ik vroeg gisteren aan een verpleger die hier al jaren werkt en ook al jaren de HIV-kliniek leidt, hoe het hier toen was, in de jaren voor de behandeling.   En hoe het kwam dat een ziekte die zo massaal om zich heen greep, niet heeft geleid tot gedragsverandering ?  Waarom promiscue zijn wanneer het zo veel risico’s met zich meebrengt ?  De problematiek is natuurlijk heel complex en een eenvoudig antwoord op deze vragen bestaat niet. Maar volgens deze verpleger aanvaarden mensen hier de ziekte als hun lot.  Het heeft geen zin voorzorgen te nemen, als je tijd gekomen is, dan is dat zo.  Ik vond dat een heel frappant antwoord. Ik als individualistische westerling kan me dergelijk fatalisme moeilijk voorstellen.  Maar als ik eerlijk ben zie ik het eigenlijk elke dag in het ziekenhuis : in het gelaten gedrag van moeders, van verpleging, van collega’s.  Of beter gezegd, ik interpreteer dit als gelatenheid, als onverschilligheid maar eigenlijk is het lijdzaam ondergaan.  Hier zijn geen ombudsmannen of klachtenbrieven die kunnen geschreven worden naar de lokale pers.  Je krijgt als patiënt vaak pas een voorkeursbehandeling als je geld of aanzien hebt en dat hebben de meeste kleine boeren uit Ibenga en omstreken helemaal niet.

Dit soort overpeinzingen helpen goed op een dag waar niks werkt op de afdeling, de elektriciteit eruit ligt en er weer maar eens geen bloed is in de bloedbank.  Dat maakt dat ik dan ook mijn lot lijdzaam probeer te ondergaan.

Ondervoeding

Dag allemaal,

Het weer blijft schipperen  tussen droog- en regentijd waar door we de ene dag genieten van een overtrokken lucht met een koele bries en de volgende dag niet vooruit geraken van de hitte.

Op de pediatrie-afdeling liggen er nu 6 ondervoede kinderen.  Ik heb er weken lang geen één gezien en plots zijn ze daar.  1 of 2 krijg ik logistiek nog geregeld met de verpleging maar 6 is een hele uitdaging.  Vooreerst tracht ik te achterhalen wat de reden is van die ondervoeding. Geen enkele moeder laat opzettelijk haar kind verhongeren dus er is altijd meer aan de hand.  Vaak ligt het aan het gebrek aan moedermelk.  Family-planning (dwz contraceptie) is een relatief nieuw fenomeen. Als een vrouw die net bevallen is geen voorzorgen neemt – of haar man laat dit na – kan ze na een aantal maanden zo maar zwanger zijn. Zwangere vrouwen mogen dan volgens de traditie geen borstvoeding meer geven en een kind van 6 maanden zonder borstvoeding redt het niet op pap alleen.  In Benin hadden ze daar een heel efficiënte oplossing voor gevonden : daar had elke zichzelf respecterende man meerdere vrouwen zodat er tijdens de borstvoedingsperiode van de ene echtgenote nog affectie genoeg te vinden was bij de andere.

Prematuriteit is een andere reden.  Kinderen die geboren worden met een laag gewicht blijven nooit lang in het ziekenhuis. Een moeder zal al gauw zeggen dat het kind goed aan de borst drinkt zodat ze naar huis mag. Zulke kinderen halen het meestal niet.  Of ze drinken net genoeg melk om in leven te blijven maar groeien doen ze niet meer.  1 van de kinderen op de afdeling die het nu redelijk goed doet kwam binnen met een gewicht van 2,1 kg.  4 weken oud was het en bij de geboorte woog ze 2,5 kg. De boezem van de moeder heeft een dermate volume dat ze eigenhandig de hele pediatrie kan voeden maar haar eigen kind is te zwak om voldoende te drinken.  Met wat extra poedermelk en aandacht en motivatie zit het kind nu op een gewicht van 3,3 kg.  Een succesverhaal.

Spijtig genoeg kan ik dat niet zeggen van de andere kinderen.  3 andere meisjes hebben een moeder die HIV heeft en die tussen de mazen van het net is geglipt tijdens de prenatale consultaties.   De HIV-test van deze kinderen is altijd positief, zelfs als ze niet geïnfecteerd zijn met het virus.  De antistoffen tegen het HIV-virus van de besmette moeder zitten immers ook in het bloed van de baby’s en het zijn deze antistoffen die de test opspoort.  Enkel door het bepalen van de virale lading – het aantal HIV-virussen in het bloed – bij het kind kan met zekerheid worden gezegd of het kind HIV heeft.  Deze test kan enkel uitgevoerd worden in de hoofdstad en ik heb nog niet kunnen achterhalen hoe en óf de resultaten terug in Ibenga geraken.

2 dagen later :

Deze morgen eerlijk gezegd met lood in de schoenen naar het ziekenhuis vertrokken. Het beleid bij ondervoede kinderen draait om regelmaat en hygiëne : kinderen moeten om de 2 of 3 uur een bepaalde hoeveelheid speciale melk krijgen die klaar gemaakt is en wordt toegediend in propere omstandigheden.  Meestal wordt aan geen enkele van bovenstaande voorwaarden voldaan. Om te beginnen kunnen moeders niet lezen en hebben ze geen benul van tijd.  Verpleging heeft het te druk, soms met patiënten, soms met uitrusten. De gewichtscontrole gebeurt soms mét kleren, soms zonder zodat de resultaten van al die voedingsinspanningen moeilijk op te volgen zijn.

Maar blijkbaar hadden de moeders de afgelopen dagen samen overlegd dat het wel goed was geweest met al dat melkgedoe dus deze morgen beslisten ze unaniem dat ze naar huis gingen.  Geen ondervoede kinderen meer op mijn afdeling.   Hier ligt volgens mij een interessante uitdaging voor de volgende maanden : een systeem op poten zetten waar deze kinderen goede zorg krijgen, moeders goede informatie en ondersteuning ontvangen en het hele gezin na ontslag uit het ziekenhuis wordt opgevolgd en begeleid. Ik hou jullie op de hoogte van mijn ambitieuze plannen.

Werken in het ziekenhuis

Zondagavond, een zachte bries waait langs het raam naar binnen. Eindelijk is de temperatuur een beetje naar beneden gegaan, dit dankzij de regen die de laatste week is beginnen vallen.  Vanaf nu zal alles wat verdord en bruin was weer gaan groeien en bloeien en ontploft de natuur in een scala van groentinten.  Tevens vermenigvuldigen de reeds talrijk aanwezige muggen zich nog eens tienvoudig zodat binnenkort het ziekenhuis zal overspoeld worden met koortsige anemische kinderen met malaria.

Sinds begin oktober ben ik verantwoordelijk voor de kinderafdeling, Maarten natuurlijk voor de materniteit.   Zelfs in het droogseizoen worden er vooral  kinderen met malaria opgenomen.  Ze hebben allemaal bloedarmoede maar binnen aanvaardbare grenzen.  Voor de collega’s : een Hb van 6 g/dl noem ik al heel aanvaardbaar.   Er is immers enkel bloed voorradig voor de kritische patiënten dus we moeten spaarzaam omspringen met onze transfusies.  Vaak komen kinderen binnen met koorts, diarree, braken en hoesten.  Begin er maar aan : wat is het dan ?  Bloeduitslagen komen meestal pas binnen na 24 uur en zijn summier.  Afgaan dan maar op je klinisch onderzoek want de patiënt of de moeder ondervragen gaat moeizaam.  Ondanks het feit dat zogezegd de meerderheid van de kinderen naar school gaat spreekt er geeneen Engels, of toch niet tegen de witte dokter. Ook de moeders spreken alleen Bemba.  Ingestudeerde zinnetjes in de lokale taal zoals : “Braakt uw kind?” of “Plast het goed ?” worden meestal beantwoord met ellenlange zinnen waar ik geen woord in herken. De verpleging vertaalt dan maar de fijne nuances die je toch nodig hebt bij het doorgronden van de ziekte van een kind gaan volledig verloren.   Het gevolg is dat ik vaak meer dan 1 veronderstelde ziekte behandel, gewoon omdat ik niets zeker weet en de gevolgen zo drastisch zijn als ik er naast zit.  Gelukkig overlijden er hier in Ibenga een stuk minder kinderen dan in Benin.  Diegenen die het niet redden hebben vaak een onderliggend lijden zoals HIV of mentale retardatie.  Door de relatief goede opvolging en behandeling van HIV-positieve moeders en zwangere vrouwen is er de laatste 5 jaar een sterke daling opgetreden van de moeder-naar-kind-transmissie van het HIV-virus.  In 2005 lag de pediatrie nog vol terminale AIDS-kinderen, nu zie ik maar heel sporadisch nog HIV-geïnfecteerde patiëntjes.

Op de ‘female ward’ daarentegen ligt het vol met HIV-patiënten.  Ze zijn pas gediagnosticeerd met die ziekte of hebben TBC.  Er zijn er een paar die hun HAART-behandeling ( Highly Active Anti-Retroviral Therapy) slecht nemen en dus steeds terug komen met allerhande opportunistische infecties. Dit zijn infecties die gezonde mensen met een normaal afweersysteem niet krijgen.  Eens het HIV-virus je immuniteit begint af te breken ben je heel vatbaar voor deze specifieke microben.  Er wordt gezegd dat in Zambia ongeveer 50% van de HIV-geïnfecteerden niet op de hoogte is van zijn ziekte.   De consultatie van HIV-patiënten barst nu al bijna uit zijn voegen dus de volgende jaren is er nog heel veel geld, medicatie en personeel nodig om de zorg die patiënten nu krijgen te kunnen voortzetten.

Samen met de andere artsen proberen we momenteel een protocollen-boek op te stellen om ervoor te zorgen dat alle patiënten dezelfde kwalitatieve zorg krijgen ondanks de beperkte middelen.  Laat ik het voorlopig een hele “uitdaging” noemen.  Maar we hebben tijd, en meestal genoeg geduld.

Nieuw huis

Woensdag 16 oktober 2013

Sinds 5 dagen wonen we in ons nieuwe huis net naast het ziekenhuis. De thermometer wijst nog steeds 30 graden aan en het is bijna 21 uur. Maar de warmte is stukken draaglijker nu we niet meer met z’n zessen geprangd zitten op een oppervlakte van minder dan 50 m².

We zijn nu inderdaad met zes. 2 weken geleden is mijn mama aangekomen in Zambia, aanvankelijk vol goede moed en enthousiasme maar na 2 dagen in ons kippenhok al volledig gedemotiveerd en wanhopig. Het heeft enigszins geholpen om de zusters van het ziekenhuis onder druk te zetten vaart te maken met het buiten bonjouren van de arts die dit huis bezet hield en al weken beloofde dat de verhuiswagen onderweg was. Omwille van oma’s mentale gezondheid – en eerlijk gezegd, die van ons ook – is op 3 dagen tijd het hele huis gepoetst, geschilderd en opgeknapt en konden wij verhuizen. We hebben een tuin met tuinman erbij gekregen, een hoge haag voor de noodzakelijke privacy en een schaduwrijk terras. De huisvestingskwestie is dus van de baan.

Kasper en Hannah gaan nog steeds graag naar school. Hun engels gaat eindelijk met rasse schreden vooruit en ze begrijpen bijna alles in de klas. Als rasechte Zambianen zingen ze elke morgen het Zambiaans volkslied : “Praise a-wa nation” helemaal uit het hoofd mee. Thomas gaat sinds vandaag niet meer naar de lokale kleuterschool. De verstandhouding met de kinderen van zijn school is nogal complex : iedereen wil met hem spelen en wil hem aanraken. Ze vinden hem interessant en grappig en lachen hem de hele tijd toe. Hij wil gewoon gerust gelaten worden en denkt dat hij wordt uitgelachen. Zijn kennis van de engelse taal is nog steeds summier dus als hij iets wil vragen aan de juf verstaat die hem niet. Alle moeders zullen mij begrijpen als ik zeg dat ik het niet meer over mijn hart krijg hem ’s morgens op school van mij af te pellen. De meeste vaders zullen net zoals Maarten zeggen : we proberen nog even. Voorlopig blijft hij bij ons mama thuis en we zullen zien hoe we het na haar vertrek oplossen. Uiteindelijk heeft híj er niet voor gekozen om huis en haard te verlaten en in deze uithoek te komen werken.

Dat brengt me dus bij het werk in het ziekenhuis. Sinds 2 weken is dat legale arbeid geworden aangezien de papieren in orde zijn. Maarten runt de materniteit, ik hou me bezig met de pediatrie. Zelfs in dit warme droogseizoen zijn er veel kinderen met malaria, al komt de grote piek waarschijnlijk over 2 maanden wanneer het regenseizoen begint en er plots veel meer muggen zijn. Dan komen ook de kinderen met ernstige levensbedreigende bloedarmoede en dan worden bloedtransfusies de belangrijkste behandeling. Ik hou mijn hart vast want met de kleine hoeveelheden bloed die we nu krijgen van de centrale bloedbank komen we dan zeker niet toe. Ik, als blanke Europese controle-freak, probeer allerlei oplossingen te bedenken en begrijp vaak niet hoe het komt dat de rest van het personeel zo gelaten blijft onder deze situatie. Heel spitsvondig hebben ze besloten niet meer te spreken over “problems” maar over “challenges” – het uiteindelijke resultaat blijft hetzelfde namelijk er verandert niets. Dergelijk fatalisme zorgt er wel voor dat ze elke dag toch met plezier naar hun werk komen en niet gefrustreerd geraken van de soms uitzichtloze situatie. Vorige week vond ik toevallig een meisje van 9 op de afdeling met een verplaatste onderarmsfractuur. Ze was 2 dagen daarvoor gevallen en was door een verpleger op de lokale health post naar de stad gestuurd voor een RX (wij hebben nog steeds geen machine – die staat op een schip dat al 2 jaar aan het varen is naar Zambia). Ze zat stil op haar bed en hield haar pols vast. Zo’n kind zou op de spoed in Sint-Niklaas de hele afdeling bij elkaar huilen, dit meisje vertrok geen spier. Ook niet toen de kinesisten op de fysio-afdeling die pols eens goed gingen onderzoeken. Op mijn aandringen hebben we wat Ketamine gegeven, de pols gezet en gegipst. Ondertussen moesten ze vreselijk lachen om mijn week hart en zeiden me dat ik een slechte afrikaan zou zijn. Pijn en lijden horen bij het leven en je kan er maar best zo jong mogelijk aan beginnen wennen. Dat is toch iets waar wij ons als Europeanen sinds een paar generaties niet meer in herkennen, niet ?

Zomeravond

IMG_2872 (800x600)

IMG_2877 (600x800)

IMG_2879 (800x600)

IMG_2898 (800x600)

De kinderen zijn juist naar bed. Het is een graad of 30 hier binnen. Buiten begint het iets af te koelen, maar buiten zitten betekent hier veel muggen. Na een aanmoedigings mail uit Melsele van Leen zit ik nu te typen. Het warme seizoen moet overigens nog komen, maar overdag halen we hier de 36 graden al. De rozen beginnen te bloeien, evenals de Jacaranda’s, wat ook een teken is dat de regen er aankomt. ’s Morgens is het overigens lekker koel, tot een uur of 9.

Heleen is gisteren vertrokken naar Lusaka, hier 325 km vandaan, om haar examen voor haar registratie als arts te doen. De officiële uitslag volgt morgen, maar waarschijnlijk is ze er wel door. Ik heb het examen op 27 augustus gedaan. Het bestond uit eerst 150 goed/fout vragen en daarna 20 minuten voor een commissie van 3 Proffen. Je wordt er toch weer een beetje zenuwachtig van, maar het is goed gelukt. Ondertussen wacht ik nog op het definitieve papiertje, maar dat kan iedere dag komen. Ik ben inmiddels wel gewoon aan het werk.

Het ziekenhuis telt 150 bedden. In totaal nu 5 dokters (inclusief Heleen en mezelf), ongeveer 25 verpleegkundigen, 7 vroedvrouwen, nog een stuk of zeven clinical officers (niveau tussen verpleging en dokter), labpersoneel, schoonmaak personeel etcetera. Totaal ongeveer 80 mensen, waarvan ik langzamerhand de namen begin te kennen. Het ziekenhuis lijkt qua structuur en grootte wel wat op Nikki. Aangezien ik hier de eerste gynaecoloog ben is het voor iedereen wat wennen, maar ik begin toch al aardig wat gynaecologische pathologie te zien. Zambia is het land met het hoogste percentage van cervixcarcinoom in de wereld, dit mede dankzij HIV, dus daar is zeker veel in te doen. Een van mijn doelen wordt hier in het district dan ook een screenings programma voor cervixkanker op te zetten. Daarnaast doe ik ook andere (niet direct gynaecologische) ingrepen en heb inmiddels ook weer wat mannelijk cliënteel. Zoals alle dokters hier draai ik ook mee in de ART clinic’s (het voorschrijven van anti-retrovirale therapie tegen AIDS)

Ondertussen ben ik ook begonnen met het inrichten van een bureau, waar ik een consultatiekamer van ga maken. Het kantoor stond leeg, maar de sleutel was al jaren kwijt, dus het is vorige week opengebroken en er zit alweer een nieuw slot in. De frustratie van alle dingen die maar steeds out of stock zijn of kapot, of onderweg (zoals het röntgen apparaat, al 2 jaar onderweg) geven me vaak een déjà vu gevoel, maar ik heb, mogelijk terecht, mogelijk onterecht, wel het gevoel dat we daar wat aan kunnen doen. Ook de andere collega’s willen wel vooruit lijkt het, en het contact is goed.

Het Bemba blijft nog erg moeilijk. Veel patienten spreken toch maar heel weinig of geen Engels. Tijdens de zaalronde is er altijd wel iemand die kan vertalen, maar uiteindelijk is het toch de bedoeling dat je kunt consulteren in Bemba. De mensen blijven maar zeggen dat het zo’n makkelijke taal is, ja voor hen ja.

Op de verloskamer doen voornamelijk de vroedvrouwen de bevallingen. Voor zover ik heb kunnen zien zijn zij redelijk kundig. Maar er leven nog wel wat ouderwetse gewoontes. Ze bellen vooral voor sectio’s, kunstverlossingen, of tweelingen. In Zambia bevalt nog altijd naar schatting 60% thuis. Dit heeft niet te maken met de kosten, want alle zorg in (overheids)ziekenhuizen is gratis. Wel met de grote afstanden en ook vooral met de cultuur van thuisbevalling. Helaas dan onder wat minder goede begeleiding dan in Nederland bijvoorbeeld.

Ondanks het feit dat het een Katholiek ziekenhuis is, waar we geen family planning mogen doen met spiraal of Implanon, is de pil wel gewoon verkrijgbaar en is ook de sterilisatie van de vrouw, (niet per kijkoperatie, maar een klassieke operatie) één van de meest uitgevoerde ingrepen hier in het ziekenhuis. Rome is ver weg.

Vorige week hebben we de verjaardagen van Kasper en Hannah gevierd. Niet geheel zoals thuis, maar er was toch zoiets als een verjaardagsfeestje met de buurkinderen, varierend in leeftijd en taal. Ze vonden het toch erg leuk. Ook hebben ze getrakteerd op school. Het vertier in het weekend is nog wat zoeken. De kinderen spelen hier graag de hele dag buiten, dus die vermaken zich wel, maar naar aanleiding van de verjaardagen zijn naar een lodge geweest op een game farm, samen met een Zwitsers-Nederlands koppel uit Ndola, met hun zoontje van 3. Zij werken ook voor BMI. De Lodge is hier ongeveer een uur vandaan. Eerst een half uur over het asfalt en dan nog 25 km gehobbel. Ons huisje daar stond op enkele meters van de rivier, maar dichter konden we ook niet komen, want zoals in alle rivieren hier stikt het er van de crocodillen. Naast de crocodillen hebben we nog wat Waterbucks, zebra’s, kudu’s en andere ongevaarlijke dieren gezien. Tegen de avond maakten we een boottochtje in een oude speedboot (zag er al lang niet meer gebruikt uit) Volgens de eigenaar zou er zeker genoeg benzine in moeten zitten, maar dat was dus niet zo. Gelukkig waren er ook peddels en waren we voor het donker thuis. Altijd stroom stroomopwaarts beginnen.

Volgende keer meer.

Naar school

Beste allen,

Sinds 2 september gaan de kinderen naar school in de omgeving van Ibenga.  Ik laat vandaag graag de jongens aan het woord over hun ervaringen. Morgen komt dan Hannah met haar verhaal.

Thomas

Ik moet heel vroeg opstaan, wel om 6 uur !  Dat is niet zo gemakkelijk voor mij.

Ik eet een boterham en corn flakes  en vertrek dan met mijn papa naar school.  Nu ga ik te voet maar gisteren ging ik nog op de loopfiets.  Door de stenen en de putten in de weg is de band van mijn fiets al stuk dus nu moet ik stappen.  Om 7 uur begint de school.  Ik draag een uniform : een groene trui met een geel hemd en een groene broek.  Dat wordt wel wat warm overdag maar de andere kinderen zijn daar al aan gewend.

Op school heb ik een juf maar ik weet niet hoe ze heet.  Ze is wel heel lief.  In de klas zit ik aan een tafel en moet ik bolletjes tekenen.  We lezen ook een boekje.  De juf spreek Engels en daar versta ik niets van.  Mijn vrienden zijn Chiwangu, Akapeelwa en Peter. Vandaag kwam de buurvrouw mij ophalen en ik moest op haar rug naar huis.

Ik vind de school wel grappig.

Kasper

Deze morgen was ik al voor 6 uur wakker omdat het al licht was. Ik doe elke morgen mijn uniform aan, namelijk een lichtblauw hemd met korte mouwen en een grijze short.  Om kwart na zeven beginnen we te fietsen.  Ik rij als eerste, steeds berg op en berg af over stenen en over boomwortels. Ik ben dus al redelijk moe als ik toekom op school na 30 minuten.  De leraar fluit om 8 uur en dan moeten we allemaal samen komen bij het “zonnehuis”.  Hij zegt verschillende dingen die ik spijtig genoeg nog niet volledig begrijp. Ik zit in Grade 2 ( = 2de leerjaar ) want het schooljaar eindigt hier pas in december.  In januari ga ik naar het Grade 3.  Vandaag heb ik in de tuin van de school gewerkt met een speciale houweel om de grond om te hakken.  Er was ook turnles.  Er is een heel groot voetbalplein naast een meertje.  Mijn juf komt uit Namibië en spreekt Afrikaans – dat lijkt een beetje op het Nederlands maar het klinkt anders.  De toiletten zijn wel heel vies.  In de ramen van de klas zit geen glas waardoor het lekker fris blijft in de klas.  Om 13 uur is de school uit en komt Mama ons halen met de auto – om te fietsen is het dan al veel te warm geworden.  Mijn vrienden heten Joseph en Joshua.

 

1 maand ver

De eerste maand hebben we achter de rug.  Het enthousiasme is alleen maar groter geworden ondanks de nog steeds kleine behuizing en de kleine Afrika-ergernissen zoals daar zijn kakkerlakken op verrassende plekken (onder de WC bril) en spinnen van wisselend formaat.

Maarten is vorige week gestart met zijn ‘kijkstage’ in het ziekenhuis.  Aangezien de registratie nog steeds niet rond is kan hij nog geen zelfstandig beleid voeren.  Hij profiteert van de gelegenheid om het personeel in het ziekenhuis te leren kennen, de behandelschema’s van HIV te bestuderen en de OK-faciliteiten te bekijken.  Veel te vroeg dus voor indrukwekkende verhalen over pathologieën.  Deze eerste dagen hebben hem wel het idee gegeven dat het ziekenhuis draait en dat de medische zorg in theorie kwalitatief goed is.  Over de praktische uitwerking ervan valt te discussiëren maar ook daar is het natuurlijk véél te vroeg om ook maar één zinnige uitspraak te doen.

U merkt het, waarde lezer, we zijn wijzer geworden na onze 2 jaar in Benin. Daar stonden we de eerste week al binnensmonds te vloeken over zowat álles wat er in het ziekenhuis gebeurde. En ondanks grote plannen en talloze initiatieven was de belangrijkste verandering na 1 jaar onze eigen mentale instelling.  Van frustratie en onbegrip naar acceptatie en respect. 

Dit klinkt allemaal mooi en het is natuurlijk nog steeds onze intentie om aanvankelijk zo beschouwend mogelijk te zijn.  De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat de eerste dag hier in Ibenga die aloude frustratie de kop opstak bij het aanschouwen van ons huis. Ondertussen staan er kasten en hebben we de meubels herschikt zodat het hier best leefbaar is.  Maar die grote huizen met grote tuinen van de collega-artsen blijven wel de ogen uitsteken.  Eergisteren waren we uitgenodigd op een barbecue van het verplegend en medisch personeel  en die ‘braai’ ging door in het huis dat ons beloofd was.  Groot was het inderdaad, met een oprijlaan, een garage en 4 slaapkamers maar zó verschrikkelijk uitgewoond.  Gaten in de vloer, tegels van de muur, deuren zonder klinken, monsterachtige sprinkhanen in de badkuip.  Er werd ons maar weer eens verzekerd dat de verhuis eind september zou kunnen doorgaan.  Ik voel dus de volgende frustratie al opkomen…

 

13 augustus 2013

Dierbare lezers,

Ik maak dankbaar gebruik van de fantastische internetverbinding in ons hotel in Lusaka, de hoofdstad van Zambia, om een nieuw bericht te posten op de blog.  De connectie in ons huis naast het ziekenhuis, in het noorden van het land, is immers voorhistorisch traag en verschrikkelijk duur.

Vandaag 2,5 week in het land. Het is eigenlijk nog veel te vroeg om een balans op te maken maar toch durf ik nu al voorzichtig positief te zijn.  We zijn weliswaar nogal klein behuisd momenteel omdat het beloofde huis plots tijdelijk niet beschikbaar was; het was de kleine tegenvaller in het begin die aanvankelijk een domper zette op het enthousiasme van het vertrek.  Maar slechts enkele dagen later ontdekten we puur toevallig midden in de brousse een missieschooltje van Zuid-Afrikaanse zendelingen, tevens op 6 km van ons huis en nog eens enkele dagen daarna werden onze kinderen er aanvaard voor het volgende schooljaar.  Dit betekent dat ze, in tegenstelling tot wat aanvankelijk het plan was, géén 2 uur per dag in de auto zitten op weg naar de internationale school in de stad Ndola.  Het schooljaar begint hier in januari dus Kasper start op 2 september voor het laatste trimester in het tweede studiejaar en Hannah in het eerste.   In januari gaan we dan bekijken hoe hun Engels vordert – voorlopig nog erg, erg traag – en kunnen ze naar het volgend studiejaar overgaan.  Zelf zijn ze alle twee heel enthousiast om naar de ‘bosschool’ te gaan.

Vorige week heeft Maarten meegelopen tijdens de zaalronde in het ziekenhuis.  Voorlopig blijft het bij observeren.  Geen van beiden mogen we medische handelingen stellen aangezien we nog niet erkend zijn in dit land.  En het heeft heel wat voeten in de aarde om erkend te geraken.  Het is niet voldoende om alle diploma’s vertaald en gecertificeerd in te leveren.  Er moet ook een examen worden afgelegd voor een artsencommissie van de faculteit geneeskunde. Het is niet helemaal duidelijk wat de inhoud zal zijn van die test.  Eén van de vragen die de ronde doet is : “Teken een dwarsdoorsnede van het dorsale ruggenmerg.”  Voilà, collega’s, hoe ver weg zit dat ?   Eens dat examen gepasseerd kan de procedure voor erkenning echt beginnen, daarna volgt de werkvergunningsprocedure en dan de verblijfsvergunning.  We blijven nog wel even staan aan de rand van dat patiëntenbed, denk ik.

Sinds enkele dagen rijden we rond in een Mitsubishi Pajero ( bouwjaar 1998 en maar 53 000 km op de teller, dat kan alleen in Afrika ) en dat geeft vrijheid en onafhankelijkheid. De data voor het artsenexamen zijn ook al afgesproken met de medische faculteit dus alles begint te rollen.  Elke dag krijgen Maarten en ik 3 uur Bemba-les op de veranda van ons hotel.  Onze Zambiaanse teacher blijft ons maar bezweren dat het eigenlijk ‘very very simple’ is.